Belangstelling voor Jezus’ Heilig Hoofd

Van 1844 tot 1905 heeft er in Engeland een ongemeen deugdzame en door God bijzonder bevoorrechte vrouw geleefd, Teresa Helena Higginson, een eenvoudige onderwijzeres aan armenscholen. Zodanig waren haar deugd en haar vroomheid, zo opvallend de buitengewone verschijnselen in haar leven, dat al spoedig na haar dood door de kerkelijke overheid er een officieel onderzoek naar werd ingesteld.

Het gevolg hiervan is geweest, dat het proces van haar zaligverklaring in Rome aanhangig werd gemaakt. Er werd toen een verzoekschrift daartoe naar de congregatie in Rome opgestuurd met meer dan 100.000 handtekeningen. In de kathedraal van Liverpool, die lang haar parochiekerk was, werd toen ook wekelijks een H. Mis opgedragen, om deze zaligverklaring te verkrijgen.

De brieven van Teresa Higginson werden verzameld uitgegeven in het boek van Lady Kerr, dat het imprimatur heeft ontvangen.

Is een mens door God bevoorrecht, dan heeft hij een aparte roeping te vervullen. Zo was ook deze uitverkoren vrouw door de Zaligmaker geroepen, om aan de wereld zijn wens bekend te maken, dat zijn H. Hoofd zou worden vereerd als zetel van zijn goddelijke Wijsheid. En tot haar dood toe heeft Hij haar niet meer met rust gelaten; gedurig herinnerde Hij haar aan zijn onlesbaar verlangen, dat aan deze wens toch zou voldaan worden; Hij bedelde als het ware bij haar, dat ze haar uiterste best er toe zou doen.

Ze voelde zich ongeschikt voor die taak en verzocht Jezus herhaaldelijk een ander daartoe uit te kiezen. Ze was ook ongeschikt! Maar God zoekt juist voor zijn werk onbruikbare werktuigen, om duidelijk te doen uitkomen, dat wat die mensen verkondigen, niet door hen zelf kan zijn verzonnen, maar van goddelijke oorsprong moet wezen.

Teresa Helena heeft haar taak volbracht: de devotie heeft ze bekend gemaakt. Maar voor de verspreiding is het nu de tijd.

In wezen is de devotie tot Jezus’ H. Hoofd niet nieuw. Al in de stal van Bethlehem hebben Maria en Jozef er vol bewondering naar gekeken en er de oneindige Godheid in aanbeden. Het H. Hoofd is bij uitstek een bron van zegeningen geweest: door de liefde die uit Jezus’ ogen sprak, door het aanhoren van alle klachten, door de goedheid en wijsheid van zijn mond. Op zijn Aanschijn lag zijn majesteit, stond een indruk van zijn Godheid te lezen.

Aan Veronica gaf Hij zelf uit dankbaarheid een afbeelding van zijn Gelaat. Met een nieuw wonder bewaarde Hij ook zelf de trekken van zijn H. Aanschijn in het lijnwaad, waarin Hij begraven was. En openlijk worden beide kostbare doeken in de Kerk vereerd, terwijl ontelbare reproducties ervan over heel de wereld verspreid zijn. In hoeveel kerken vindt men niet een of andere voorstelling van het H. Hoofd?

De devotie tot het H. Aanschijn is natuurlijk een devotie tot het H. Hoofd. En om die te verspreiden heeft Christus zich van de heilige karmelietes van Tours, Marie de St-Pierre, bediend. En met dit doel zijn ook de talloze wonderen in het huis van de ‘heilige man van Tours’, M. Dupont, gebeurd. Hieruit is voortgekomen de aartsbroederschap van het H. Aanschijn, over heel de wereld verspreid. En van dat H. Aanschijn ziet men den ook in bijna alle kerken van Frankrijk een afbeelding hangen, terwijl er openbare kapellen aan zijn toegewijd.

Belangstelling voor Jezus’ Hoofd is dus niet als iets nieuws te beschouwen. Evenmin zal men het iets ongehoords kunnen noemen, dat we aan Jezus’ goddelijke Wijsheid warden herinnerd. Dat heeft de Verlosser, teneinde zijn zending te vervullen, zelf al herhaaldelijk gedaan: Hij noemde zich het ‘Licht van de wereld’; Hij zond zijn apostelen uit om overal zijn opvattingen te gaan verkondigen en vorderde van heel de mensheid uit alle eeuwen, dat men naar de apostelen zou luisteren. Onze goede Herder is Hij door zijn wijsheid; door Zijn wijsheid ook is Hij de enige Koning, in staat de wereld te besturen.

Evangelieverkondiging of godsdienstonderricht is niet denkbaar zonder dat de volle nadruk wordt gelegd op Jezus’ wijsheid, in tegenstelling met die van anderen: wie zich door Jezus laat leiden, gaat veilig in elk opzicht; wie dit niet doet, loopt verloren: heel de wereld geeft er in onze dagen een overtuigend bewijs van! Een gewichtige waarschuwing ligt er uitgedrukt in de toewijding van de beroemde hoofdkerk te Constantinopel aan de goddelijke Wijsheid.

Geen christenmens die niet van zijn jeugd af vertrouwd is met de gedachte, dat hij zich op de wijsheid van de God-Mens kan verlaten en die moet volgen.

Nieuw is in deze devotie alleen, dat hierbij het H. Hoofd van de Zaligmaker niet wordt beschouwd op zichzelf (zoals we zijn handen en voeten vereren) maar bepaaldelijk als centrum, als Zetel van zijn Wijsheid, terwijl wij bij de devotie tot het H. Aanschijn vooral worden herinnerd aan de vernederingen, door de Verlosser daarin ondergaan.

Waarom zou Christus in onze dagen deze devotie zo aanprijzen? Het is duidelijk. Heel de wereld is in de grootste wanorde geraakt en geen menselijke machten, ook geen bond van de volken, zijn in staat dit te verhelpen. En heel die wanorde is ontstaan doordat men is afgeweken van Jezus’ wijsheid en het gezag van zijn Kerk niet meer telt. Er is slecht één middel om tot een oplossing van de grote moeilijkheden te komen: terugkeer tot Christus en zijn Kerk. Zolang het Licht van de wereld niet wordt erkend en benut, blijft men in het duister tasten.

Toen de devotie tot het H. Hart door Christus werd gevraagd, was de wereld tengevolge van protestantisme en jansenisme verkoeld, maar het geloof had men toch nog niet geheel verloren; men wist nog wel van waar heil was te verwachten. Nu is dat anders. De wereld is zonder geloof en zonder uitzicht; men weet niet naar welke kant te kijken.

De christenen moeten weer leren, niet op menselijke uitvindingen, maar op Jezus’ wijsheid te steunen, en hun voorbeeld moet anderen de weg weer wijzen. Bij Hem alleen is hulp te vinden! En Hij verlangt ons te helpen. Daarom dringt Hij or zo op aan, dat we in zijn wijsheid vertrouwen moeten stellen en denken aan zijn H. Hoofd. Voor zijn H. Hoofd als Zetel van zijn wijsheid wenst Hij ook een openbare cultus in heel de Kerk. Zelf stelde Hij reeds de dag vast, waarop dit feest moest gevierd worden: namelijk de octaafdag van het H. Hartfeest.

En Hij deed de belofte: “leder die zal meehelpen, om deze devotie te verspreiden, zal duizendvoudig gezegend worden; wee echter degene, die ze verwerpt of die in dit opzicht mijn verlangen tegenwerkt”.

Meer nog! De stellige verzekering gaf de Zaligmaker aan Teresa Helena Higginson, dat aan zijn verlangen in werkelijkheid zou voldaan worden: de devotie zal worden ingevoerd!

Gebed, ontleend aan Teresa:

“O H. Hoofd van Jezus, Zetel van de goddelijke Wijsheid, Gij hebt het H. Hart bij al zijn wensen en aandoeningen geleid, bewogen en beheerst; geef mij ook mijn gedachten, woorden en werken in en beheers die. Wees, gelijk Gij beloofd hebt, het heilmiddel tegen de grote rampen van onze tijd: de geestelijke hoogmoed en de ontrouw aan God. Wij smeken U bij Uw lijden, bij de doornenkroon die Uw Hoofd verscheurde, bij de slagen, bij Uw Bloed, bij de beledigingen U aangedaan, en ook bij de liefde die het Onbevlekt Hart van Maria, Uw H. Moeder, voor U had, mocht Gij toch aanbeden, geëerd en verheerlijkt worden, en dat zo spoedig mogelijk en op de meest volmaakte manier en zo algemeen als het in overeenstemming van de plannen van de Goddelijke Voorzienigheid maar mogelijk is. Dit vragen wij U voor de glorie van God, in het belang van het welzijn van de zielen, voor alle intenties van het goddelijk Hart en voor de vervulling van de goddelijke Wil en van het zo vurig verlangen, door U geopenbaard. Amen”.

Uit een brochure van de uitgeverij Hovine