Biografie T. Higginson Hoofdstuk 6. Leiding

Hoofdstuk 6. Leiding

In juli 1875 verliet Juffrouw Ryland Wigan. Teresa wandelde met haar mee naar het station om haar uitgeleide te doen. Juffrouw Ryland huilde. Onderweg ontmoetten ze een van de kapelaans en die vroeg, wat er aan de hand was. Teresa vertelde het hem en voegde er glimlachend aan toe: “Ik geloof, dat ik meer reden heb om te huilen, want ik verlies een vriendin en blijf alleen achter.” Ze was er echter de persoon niet naar, om bij enige teleurstelling die haar zelf betrof, te huilen.
De vriendinnen bleven met elkaar in correspondentie en ontmoetten elkaar nu en dan in de vakantie, totdat enkele jaren later juffrouw Ryland haar intrede deed bij de zusters van liefde van de H. Paulus, bij deze roeping niet weinig door Teresa geholpen. Daarna ontmoetten ze elkander niet meer, maar zuster Barbara vergat haar vriendin niet en toen de jaren voorbij gingen, haar ogen verzwakten en ze vele uren in werkeloosheid had door te brengen, leefde ze meer en meer in de herinnering aan de wondervolle dagen, toen ze het voorrecht genoot, in zulk een intieme omgang te leven met iemand die God zo na stond.
In de herfst van hetzelfde jaar moest Teresa naar huis terugkeren, of wel om wille van haar gezondheid, of wel op verlangen van haar ouders. Pastoor Wells echter wilde er niet van horen, dat ze zou weggaan. Juffrouw Ryland zegt:
Het laatste jaar was er een ander, een jonger meisje (1) bij Teresa in de school. Ik meen dat zij bij Teresa voor gezelschap in huis kwam nadat ik was weggegaan, ik geloof echter niet, dat ze op dezelfde kamer sliepen. Pastoor Wells wilde Teresa niet laten gaan; de zusters van O.L. Vrouw namen mijn plaats in. De laatste zes maanden moet ze, alleen in dat huis, veel geleden hebben. Ze vertelde, dat ze een touw aan de stijl van het bed had vastgemaakt om zich er ’s morgens aan op te trekken. Ook zei ze nog, dat toen ze weg moest, hij niet wilde toegeven. Daarom heeft ze met Kerstmis de sleutels van de school mee naar huis genomen en ze hem opgestuurd met de boodschap, dat ze niet terugkwam.
Ten slotte berustte pastoor Wells in haar beslissing en stuurde haar het volgende getuigenis: Juffrouw Teresa Higginson is gedurende drie jaar in de St. Mariaschool te Wigan de meest voorbeeldige onderwijzeres geweest. - Getekend, Thomas Wells, 22 februari 1876.
Een brief van hem, enkele jaren later in antwoord op een verzoek om inlichtingen aan pastoor Powell geschreven, bewijst wel zijn ongeschokt vertrouwen in haar, niettegenstaande of misschien wel juist ten gevolge van de vele en strenge beproevingen waaraan hij haar had onderworpen.
  
Great Eccleston, Garstang, 28 Juni 1880.
Hooggeachte Heer Powell,
Uw brief kwam me deze morgen, maandag, in handen. Op de vragen die u mij over juffrouw Higginson stelt, zal ik zo goed ik kan met genoegen antwoorden.
In de namiddag van Goede Vrijdag 1874 zag ik met zekerheid de stigmata op een van haar handen. Ik was volkomen op de hoogte van de vele buitengewone beproevingen die ze te verduren had; later heb ik er de gevolgen van gezien, zoals gebroken voorwerpen in de kamer die ze bewoonde; vooral de wijwaterbak. Bij een zekere gelegenheid was ze ten gevolge van ziekte of zwakheid ongeveer een week niet op school geweest. Op mijn verzoek bezocht de dokter haar, maar hij was niet in staat, haar enige beterschap te bezorgen. Hij was van oordeel dat het een hardnekkig geval was en dat er veel gevaar bij was. Toen ik ’s middags om twaalf uur bij haar kwam, lag ze te bed, maar was zeer goed bij kennis. Ik zei haar dat de school naar mijn oordeel er onder lijden zou als zij weg bleef; ze moest dus opstaan en zorgen dat ze ’s middags om drie uur op haar post was. Ofschoon ze op dat ogenblik niet bij machte was op haar benen te staan, zag ik haar kwart voor drie alleen naar de school wandelen om eerst eens te kijken en tegen drieën stond ze, blijkbaar zo goed als ooit te voren voor de klas les te geven. Dit soort dingen kwam herhaaldelijk voor. Ik stond geregeld in verbinding met Mgr. Lennon van Ushaw, die me veel met goede raad heeft bijgestaan. Eenmaal heb ik over haar aan de bisschop geschreven. Juffrouw Ryland heb ik verzocht, om alle gebeurtenissen van de Goede Week die zij en ik zouden waarnemen, op te tekenen. Het memorandumboek dat ik u met dezelfde post op stuur, bevat hetgeen zij op mijn verzoek opschreef.
Het stukje papier met potlood beschreven is het handschrift van juffrouw Higginson. Erg graag zou ik beide terug hebben. Ik hoop dat u er voor zorgt, dat ik ze allebei weer toegezonden krijg. De brieven van Mgr. Lennon heb ik nog hier.
Met vriendelijk groeten voor juffrouw Higginson, als ze nog bij u is. Geloof mij, dierbare pastoor Powell, uw van harte toegewijde 
Thomas Wells
Teresa kon niet stil zitten; de korte tijd dat ze thuis was, ging ze te Seacoinbe in de school van pastoor Lynch les geven. Daarna kwam ze aan de St. Albaanschool te Liscard.
Maar, vertelt juffrouw Ryland, het schijnt, dat ze het met die priester niet al te best kon vinden, want al na een week, zei ze, had hij haar opgezegd. De reden hiervan is me onbekend. 
In 1877 openden de paters Jezuïeten een nieuwe missiepost in Sabden, een dorpje niet ver van Clitheroe. Het was heel moeilijk om personeel voor de school te vinden. Oorzaak hiervan waren de primitieve toestanden in het plaatsje, dat de naam had van erg ruw en goddeloos te zijn. Er was geen eigen onderwijzerswoning; het enige bruikbare onderdak was erg armelijk en het salaris was gering. Teresa verlangde erg het werk op zich te nemen, maar haar ouders verzetten zich er tegen met het oog op haar zwakke gezondheid. Ze was echter van oordeel, dat de liefde en haar roeping er haar voor aanwezen en zoals ze in haar jeugd, als ze iets goed oordeelde, zich door niets van haar plan liet afbrengen, zo wist ze ook nu door te zetten. Haar vader liet haar gaan, hoewel hij er niet toe te bewegen was om aan haar onderneming zijn zegen te geven. Ze nam afscheid en ging naar Sabden. Het was de laatste keer dat ze haar vader zag. Op 13 Oktober 1877 kreeg hij op straat een beroerte en stierf vrijwel onmiddellijk, nadat hij juist nog tijd had gehad om de Sacramenten te ontvangen.
Teresa schreef aan juffrouw Ryland, dat ze door een groot kruis was getroffen. Later stuurde ze haar een bidprentje en schreef er bij: “Dit hoort bij het kruis, waarvan ik u sprak.” Hier voegde ze echter nog het volgende aan toe, dat ze in een visioen, haar vader in St. Helen stervend op straat had zien liggen. Toen de priester het telegram bij haar binnenbracht, had ze hem gezegd: “U hoeft me niet te vertellen, vader, wat er aan de hand is, want ik weet het vader is gestorven.” De gedachte aan haar lieve vader is haar altijd bijgebleven; tot het eind van haar leven toe vroeg ze jaar op jaar op zijn sterfdag aan haar priester-vrienden om hun gebed en om H. Missen.
De gezondheid van mevrouw Higginson had bij de dood van haar man door de schok veel geleden en ze verlangde er erg naar, Teresa bij zich te hebben. We mogen er van overtuigd zijn, dat Teresa, als ze de drang van haar eigen hart had gevolgd, aanstonds naar haar moeder was gegaan; maar in kwesties die haar persoonlijk aangingen, nam ze nooit zelf een beslissing. Een van haar zusters die toen thuis was, schreef aan pater Lea, een van de paters op de post van Sabden, over de toestand van haar moeder en verzocht hem, Teresa thuis te laten komen. Uit het antwoord van pater Lea blijkt wel, hoe hoog hij zijn onderwijzeres had leren waarderen. Op 5 Maart 1878 schreef hij:
Met grote spijt heb ik kennis genomen van hetgeen u aangaande Teresa schrijft. Als uw moeder ziek is en ze haar werkelijk thuis verlangt te hebben, dan valt er natuurlijk slechts één ding te doen en dat is, dat ze naar huis gaat om haar moeder te helpen. Het zou echter in alle opzichten voor Sabden een verschrikkelijk verlies zijn, maar haar plicht tegenover haar moeder komt op de eerste plaats. Gaat ze nu naar huis, dan is te voorzien dat ze naar een andere school solliciteert, zodra uw moeder haar missen kan. Zou het in de gegeven omstandigheden niet mogelijk zijn, het bij wijze van grote gunst in mijn belang zodanig te regelen, dat ze blijft, waar ze is, zolang ze thuis niet beslist noodzakelijk is? Wat haar woning betreft, wil ik doen wat ik kan, om die te verbeteren, zodra ik in Sabden kom. Ik ken uw vriendelijkheid en vertrouw dan ook vast, dat u alles zult doen wat in uw macht ligt om aan mijn verzoek tegemoet te komen.
Dit beroep had het verlangde effect. Teresa bleef voorlopig te Sabden. De opmerking betreffende de woning hield waarschijnlijk verband met een voorval, tijdens haar verblijf aldaar. De vrouw, bij wie ze inwoonde, was honderd pond kwijt geraakt. Ze verdacht Teresa en beschuldigde haar ervan dat ze het geld gestolen had, ze liet een politieman komen en stond er op, dat deze een onderzoek bij haar zou instellen. Teresa onderwierp zich gewillig hieraan. De politieman weigerde zelf het onderzoek aan haar persoon te doen, maar hij stond er bij, terwijl de vrouw het deed; daarna gingen ze samen heel de kamer nasnuffelen. Toen het onderzoek afgelopen was, verzocht Teresa hem, zijn volmacht te tonen. Hij moest bekennen dat hij er geen had gekregen. Hierop berispte ze hem en waarschuwde hem, zulke dingen niet meer uit te halen. Later kwam uit, dat de vrouw zelf haar geld op een veilige plaats had opgeborgen en was vergeten waar ze het gelaten had.
Teresa voelde zich diep gekrenkt. Het moet iemand met zulk een sterke wilskracht en een zo hoge levensopvatting hard zijn gevallen en in meerdere van haar brieven aan haar leidslieden vinden we zinspelingen, waaruit valt op te maken, wat ze hierbij heeft gevoeld. Tegenover niemand anders echter heeft ze zich over deze zaak uitgelaten. En niet alleen heeft ze van harte haar betichters vergeven, maar zo ver ging haar liefde, dat ze op zich nam te boeten voor alle zonden die daarbij mochten zijn bedreven en ze vroeg bijzondere gebeden voor hen, die ze als haar beste weldoeners beschouwde.
Zo schreef ze aan pastoor Powell:
(14) Naar ik meen, vertelde ik u reeds, dat men mij ervan heeft beschuldigd, een tas met geld van meerdan 100 pond te hebben gestolen - precies weet ik het bedrag niet. Aan mijn vriendinnen heb ik er niets van gezegd, maar iemand heeft er over geschreven aan mijn zus en haar van alles op de hoogte gebracht. Thuis zijn ze er erg over uit hun humeur geweest en er zijn lelijke dingen over gezegd. Bid dat er niet verder tegen de liefde wordt misdaan en gezondigd; men zegt hier, dat mevrouw B. gestraft diende te worden voor hetgeen ze reeds verteld en gedaan heeft. Bid goed voor haar en voor allen die in deze zaak of bij andere gelegenheden iets tegen mij mochten hebben gezegd of gedaan, opdat God ze honderdvoudig moge zegenen. Want ik weet, dat die mensen slechts werktuigen in de hand van God waren. Ik heb Hem verzocht te mogen voldoen voor deze zonde en alle andere, die hieruit zijn voortgekomen, want indertijd was het een publiek schandaal, en Hij heeft mijn gebed verhoord. Gezegend zij Zijn heilige Naam voor eeuwig! O wat is de menselijke natuur toch zwak en wat voelt ze zulke kleinigheden diep. Toch weet Hij, hoe dankbaar ik Hem ben, dat Hij me heeft toegestaan dit voor Hem te verduren, ondanks mijn onwaardigheid. Ik beschouw het als een grote weldaad van Zijn liefde en ik hoop, dat Hij me nooit meer zonder de gelegenheid zal laten om mijn liefde voor Hem, mijn gekruisigde Bruidegom, te tonen. Gij zult, daar ben ik zeker van, met mij Hem prijzen en danken voor deze en alle andere gunsten.
Hier volgen enkele herinneringen van iemand die haar te Sabden heeft gekend; ze werpen een interessant licht op haar leven in deze tijd.
Toen de Sabdenpost werd geopend, woonde ik te Clitheroe. Omdat er te Sabden slechts eens per maand een H. Mis was, kwam ze op het einde van elke week naar Clitheroe. Wij hadden haar uitgenodigd om bij ons thuis te komen zo vaak ze maar wilde en een kamer stond voortdurend voor haar ter beschikking. Mijn herinneringen aan haar zijn uiterst levendig. Ze was zacht en vriendelijk en erg huiselijk, zo zelfs dat de jongelui in de familie zich tot haar aangetrokken voelden en om haar heen kwamen zitten, terwijl zij hun verhaaltjes vertelde of liedjes zong; soms amuseerde ze de kleintjes door op haar medaille, die ze als Mariakind droeg, te fluiten.
Bijzonder trof me haar houding bij het bidden; roerloos zat ze geknield met de ogen op het Tabernakel gevestigd. Telkens als ik alleen naar de H. Mis kon gaan, ging ik niet in onze eigen bank in de kerk zitten maar op een plaats vanwaar ik haar kon zien. Eens kreeg ze verlof om mij en mijn oudste nichtje mee te nemen naar de H. Mis te Sabden. De hele dag hield ze zich met ons bezig; ze liet ons de school zien, enz. Nog heel goed herinner ik me de concierge van de schoolkapel, een vrouw, die ons vertelde, dat Teresa elke donderdag heel de avond doorbracht voor het H. Sacrament dat toentertijd daar werd bewaard. Vrijdags had ze ook druppels bloed op haar voorhoofd gezien. Ook de kinderen, zei ze, zagen het. Het was zelfs zo dat ze er helemaal aan gewend waren geraakt om het te zien.
Ik herinner me, dat ik veel hoorde praten over haar onderrichtingen en verklaringen van de katholieke leer aan nietkatholieken, die ze sommige avonden in de week gewoon was te geven. In groot getal kwamen ze naar haar luisteren; van het resultaat echter hangt me niets bij.
Dan had ze het over de geheimzinnige praatjes betreffende de vermiste 100 pond. Er werd verondersteld, dat de kinderen hier niets van wisten, maar ze herinnerde zich nog, haar oom te hebben horen uitroepen: “Nooit zal ik me laten wijsmaken, dat juffrouw Higginson het gedaan heeft. Haar onschuld zal wel aan de dag komen en het zal wel blijken, dat zij de heilige is, waarvoor we haar aanzien.“
Teresa maakte zich onder de fabrieksmeisjes te Clitheroe vele trouwe en levenslange vriendinnen, vooral één met name Elisabeth Dawson, wier nederig tehuis later het toneel zou worden van wonderbare gebeurtenissen. Teresa wist meerdere van die eenvoudige, godsdienstige meisjes over te halen, dagelijks te gaan communiceren en dat was geen gemakkelijke onderneming. In werkelijkheid hield dit heel wat in, want om zes uur begon het werk op de fabriek. Om acht uur hadden ze een half uur vrij om te ontbijten en dit moesten ze opofferen om de H. Mis te kunnen bijwonen, zodat er dan amper een paar ogenblikken overschoten om nog wat te eten, alvorens weer aan het werk te gaan.
Voor haar zelf was het een grote beproeving, dat ze in Sabden niet dagelijks een H. Mis kon bijwonen. De zondagen bracht ze geregeld te Clitheroe door. Maar door de week was ze niet in staat de H. Communie te ontvangen, het Voedsel waarop heel haar leven scheen te teren. Ten slotte had haar liefdevolle Bruidegom medelijden met haar. Ingaande op haar vurig smeken, kwam Hij haar zelf het Brood des Levens brengen. Later vertelde zij dit zelf aan pastoor Powell. Zoals we zullen zien, hadden deze miracuieuse Communies in latere jaren dikwijls plaats; waarvan velen getuige. waren.
In 1879 gaf haar gezondheid het op en ze was genoodzaakt naar huis te gaan. Pater Lea was erg bedroefd over dit verlies en schreef: “Het spijt me erg, dat u de krachten ontbreken om het met de school vol te houden. Het zal lang duren, eer we in Sabden een andere zullen hebben zoals u. Moge God u zegenen.”
Ook gaf hij haar een getuigschrift:
Met het grootste genoegen verklaar ik, dat juffrouw Higginson gedurende de achttien maanden, dat ze te Sabden aan onze school was verbonden, in alle opzichten voldeed, zowel bij de kinderen als bij de ouders. Ze was geheel aan haar werk toegewijd en bezat een bijzondere gave, om de kinderen naar haar school te trekken. Wegens ziekte ging ze uit Sabden weg. - Pater W. Lea SJ, 15 juli 1879.
Mevrouw Higginson woonde nu te Neston in Gheshire met haar dochters, die daar aan de dorpsschool waren verbonden. Ze ontvingen Teresa met veel vreugde in de bekrompen schoolwoning die van nu af haar tehuis zou zijn. Liefst hadden ze haar daar gehouden, maar Teresa was van gevoelen, dat ze niet voorgoed daar kon blijven. Ze kon het niet verdragen haar familie tot last te zijn; bovendien wist ze, dat ze veel van haar hielden en daarom dikwijls verdriet zouden hebben en voor raadsels zouden komen te staan bij haar volkomen minachting voor uiterlijke normen en bij de vreemde geschiedenissen die over haar de ronde begonnen te doen. Al lang geleden had ze een gelofte van armoede gedaan en zich zonder voorbehoud in Gods handen overgegeven. Thuis moest ze zich onvermijdelijk onder gestadige controle voelen - ofschoon ze er dikwijls verbaasd over stond, welke dingen ongemerkt voorbij gingen; dikwijls dacht ze ook, dat de Heer zelf haar hielp, haar kostbare geheimen te bewaren. Er waren echter twee overwegingen die bij haar verlangen, om weer aan het werk te gaan, het zwaarste wogen. Ze schrijft aan pastoor Powell: 
(3) Hier kan ik niet geregeld te Communie gaan en ik heb ook het gevoel, dat ik iets meer moet kunnen doen, dan waartoe ik hier in staat ben.
Voor het ogenblik echter bood zich geen betrekking aan en bracht ze dus de zomermaanden thuis door. In deze tijd kwam ze weer in aanraking met pastoor Powell, die altijd nog te Bootle was. Opnieuw werd hij haar bestuurder door de goddelijke Voorzienigheid haar toegezonden om haar ziel door gevaarlijk water te loodsen. Haar vertrouwen in zijn wijze leiding was onbeperkt en dit strekte haar tot veel troost. Haar dankbaarheid voor de vrede die hij haar bezorgde, toont ook wel, hoe verschrikkelijk haar moeilijkheden in dit opzicht te voren waren geweest.
Op 6 Mei 1879 schreef ze:
(3) U kunt er zich geen voorstelling van maken, wat een rust die enkele woorden van u bij mij hebben veroorzaakt. U zult, daar ben ik van overtuigd, me wel willen helpen om de goede God hiervoor te bedanken en ook voor de grote troost, die het voor me was, me zo goed begrepen te voelen. Gezegend zij Zijn heilige Naam voor altijd.
Een andere keer schrijft ze:
(68) U weet, dat voordat ik verleden jaar weer bij u te biecht kwam, ik volstrekt niet in staat was, me goed tegenover mijn leidsman uit te drukken. Zelfs wist ik niet, wat ik zeggen moest en het maakte me erg van streek, dat ik niet bij machte was te vertellen, wat toch nu en dan mijn plicht was te zeggen en het kwam me ook onbegrijpelijk voor, dat niemand me ooit naar die dingen vroeg. Dan dacht ik; misschien moet ik met niemand over die zaken spreken en het kwam me voor de geest, hoe zorgvuldig de H. Maagd de dingen verborg, die God aan haar deed. Had ik beproefd, mijn biechtvader er iets over te vertellen, dan werd ik onrustig en vroeg ik me af, of ik daar niet verkeerd aan had gedaan. Bij één van die gelegenheden heb ik mijn goddelijke Bruidegom gevraagd, wat ik moest doen - soms had ik toch het gevoel dat ik er met mijn leidsman over moest spreken - en O.L. Heer ademde me deze woorden in, die diep in mijn ziel doordrongen: “Mijn geliefde, al deze moeilijkheden zullen weldra voorbij zijn.” Ik begreep er uit, dat ik spoedig voor goed met Hem verenigd zou worden. Ik bedoel, dat mijn dood niet meer ver af was en hiermee was ik buitengewoon blij. Hij bedoelde echter, dat Hij me iemand zou geven die me zou begrijpen. Gezegend zij Zijn heilige Naam voor eeuwig !
Wat haar ook nog aan beproevingen te wachten mocht staan, in dit opzicht werd de belofte van de Heer tenvolle vervuld; van nu af zou ze met betrekking tot de leiding van haar ziel in ongestoorde vrede leven. Ze stelde zich eerst onder leiding van pastoor Powell en later van pastoor Snow en deed dit met de uiterste eenvoud als van een kind, “zoals Hij zelf zich door de handen van Zijn priesters op het altaar geeft”, en tot het einde toe bleven deze twee heilige priesters beiden niet alleen haar raadgevers, maar ook ware en trouwe vrienden. Aan pastoor Powell deed ze een gelofte van gehoorzaamheid:
(10) In tegenwoordigheid van heel het hemelse hof, onder de bescherming van het H. Hart, van O.L. Vrouw en van Sint Jozef, in aansluiting bij de gehoorzaamheid tot de dood toe van Onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, hernieuw ik mijn gelofte van volledige gehoorzaamheid en geef ik mezelf volkomen over in uw handen als mijn bestuurder, overtuigd, dat ik door uw raad te volgen de nadrukkelijke Wil van de almachtige God vervul. Ik vertrouw op het Lijden en de Dood van O.L. Heer en verwacht, omwille van Zijn allerkostbaarst Bloed de genade en de kracht te krijgen om tot mijn dood toe mij aan deze gelofte te houden.
Uit haar brieven valt op te maken, hoe stipt ze deze gelofte nakwam. Alle geheimen van haar hart werden voor haar bestuurders open en bloot gelegd en nooit ondernam ze het geringste werk, alvorens eerst verlof te hebben verkregen.
Gedurende de maanden van haar werkeloosheid te Neston drong zich de kwestie van haar religieuse roeping weer dikwijls aan haar geest op en ze bestudeerde de regels van verscheidene kloosterorden.
(7) Als het aan mij lag ging ik zonder twijfel naar een klooster, waar gebed, gestrengheid en versterving een belangrijk deel van de regel uitmaken. Ik heb de zaak echter geheel in handen gelegd van u, als mijn bestuurder en ik weet, dat ik door uw beslissing te volgen zal doen wat het volmaaktste is.
Een paar dagen later schreef ze weer:
(10) Hoe goed is God toch en hoe ellendig is dit minste van al Zijn schepselen! Sinds u mij hebt gezegd, dat ik uit de aard der zaak in de wereld groter kruis te dragen zou hebben dan in een klooster, ben ik aldus bij mezelf gaan redeneren; ik weet, welk groot voordeel mijn arme ziel bij het kruis heeft gevonden en daarom zal het beter voor mijn vooruitgang zijn om in de wereld te blijven, vooral ook, daar ik al jaren te voren een gelofte van gehoorzaamheid, tegelijk met andere geloften heb afgelegd. Als ik in een klooster ging, zelfs waar strenge boetpleging werd beoefend, zou ik misschien zwaarder kruisen ontlopen, zodat ik minder glorie zou geven aan God, en de zielen, voor wie O.L. Heer de laatste druppel van Zijn kostbaar Bloed heeft gegeven van de hulp zou beroven, die ik hun zou kunnen bieden. Daar kwam nog bij dat het mij vermetel leek, te willen wonen onder degenen aan wie O.L. Heer, om wille van de reinheid in hun leven, een bijzondere uitverkiezing had gegeven. Op deze manier kwelde ik mezelf en O.L. Heer maakte me hierover een ernstig verwijt en gaf me daarbij te verstaan, dat ik me in de handen van mijn oversten moest overgeven zonder zelf een wens of een twijfel te uiten, zoals Hij zich zelf aan de priesters op het altaar in handen geeft.
Pastoor Powell maakte ten slotte aan al haar twijfels een einde door te beslissen, dat ze niet tot het kloosterleven geroepen was.
Een van de dingen, die Teresa groot lijden veroorzaakte, was de inspanning om de onuitsprekelijke geheimen, waarover God haar onderrichtte en de wonderen, die Hij in haar ziel werkte, onder woorden te brengen. Niet alleen schrok ze er in haar nederigheid voor terug er over te spreken, maar zoals ze het uitdrukte; die zaken lagen buiten het terrein van de menselijke taal. Niettemin achtte ze zich verplicht om ze aan haar leidsman voor te leggen. Toen hij bemerkte dat ze helemaal niet in staat was, zich mondeling er over uit te spreken, stelde pastoor Powell haar na enige tijd onder gehoorzaamheid de eis, het op te schrijven en, hoe ontzaggelijk veel het haar ook kostte, ook hierin, evenals in al het overige, was ze bij machte, aan de opdracht te voldoen, Het resultaat van dit besluit is een verzameling brieven tussen de jaren 1879 en 1883 geschreven, die de meest wonderbare en de meest intieme beschrijving geven van haar zieleleven. Naar aanleiding van ontstane moeilijkheden heeft de bisschop haar later van biechtvader doen veranderen en haar verzocht niet meer te schrijven. Zo werd toen pastoor Snow haar leidsman en aan deze kostbare brieven kwam een einde. In 1886 verliet ze Liverpool en van dit ogenblik af tot aan haar dood toe stond ze in geregelde correspondentie met de heren Powell en Snow, maar, op enkele uitzonderingen na, handelen haar brieven dan over de gewone gebeurtenissen uit het dagelijkse leven. Een enkele keer gaf ze nog wel eens verslag van haar zieletoestand en pastoor Snow liet eens haar eigen geschiedenis opschrijven (zoals we reeds hebben megedeeld) tot het jaar toe, dat ze de kloosterschool verliet. Toen hij echter bemerkte welk leed dit haar veroorzaakte, kreeg hij medelijden en zei, dat ze niet verder hoefde te schrijven.
Toen pastoor Powell in 1879 haar leidsman werd, schreef ze hem:
(10) Er zijn heel wat dingen, waarover ik nog nooit met iemand heb gesproken; ik verkeerde in de overtuiging dat O.L. Heer er op gesteld was dat er tussen ons enige kleine geheimen bestonden, waar niemand dan Hij van wist. Mocht u echter van oordeel zijn, dat het beter is u alles te vertellen, dan zal ik proberen het zo eenvoudig mogelijk te doen. Niet dat ik u niet ten volle vertrouw, maar het is of ik niet bij machte ben de weerzin te overwinnen die ik voel om over deze grote gunstbewijzen van O.L. Heer te gaan spreken. Misschien wenst de Heer op deze manier aan het verstand te brengen, dat dit de doornen zijn, die rond de zoete bloemen van Zijn genade staan.
Pastoor Powell wenste bijzonderheden en zij gaf hem ten antwoord:
(11) Wat die ‘geheimpjes’ betreft, deze zijn talrijk. Ik zal echter mijn best doen (met de hulp van de Almachtige) u uit gehoorzaamheid, tot eer en glorie van Zijn heilige Naam en tot beschaming van de minste Zijner schepselen, een trouw verslag te doen.
Dikwijls opent O.L. Heer me Zijn heilig Hart; daarbij laat Hij me dan zien en voelen alle beledigingen, die Hij in het allerheiligste Sacrament te verduren heeft en hoe Hij er gegriefd en verwaarloosd wordt en meermalen beklaagt Hij zich erg over Zijn priesters en over al degenen, die aan Zijn dienst zijn toegewijd en Hij noodt mij, Hem er eerherstel voor te geven. Bij die gelegenheden gaf Hij me ook te verstaan, om Hem de liefde van Zijn eigen heilig Hart en de liefde voor Hem van de allerheiligste Drieëenheid en van Zijn heilige Moeder aan te bieden ter vergoeding voor die onverschilligheden.
Andere keren heeft Hij me laten zien aan welke misbruiken Hij is blootgesteld en welke oneerbiedige behandeling Hij van Zijn dienaars ondergaat, hoe onwaardig Hij wordt ontvangen door velen, die zich als Zijn vrienden beschouwen. Daarom wenste Hij, dat ik Hem als vergoeding voor die oneerbiedigheden de glorie zou aanbieden, waarmee de hemelse Vader Hem en al Zijn uitverkorenen heeft omkleed, en eveneens de hulde, die Hij zelf onophoudelijk aan de Eeuwige Vader brengt.
Bij andere gelegenheden vult Hij heel mijn wezen met zulk een smachtend verlangen naar Hem en Zijn glorie, dat mijn arme hart dreigt te breken. En als ik dan zie, hoe weinig liefde Hij vindt en hoe weinig ik uitricht om Hem te doen kennen en liefhebben, dan heb ik het gevoel, alles te kunnen verduren, al zou het alleen maar zijn om gedaan te krijgen, dat Zijn heilige Naam één enkele keer met eerbied en liefde wordt uitgesproken. En dit was het, dat me scheen te noodzaken om de nacht in gebed door te gaan brengen met kleine boetplegingen in plaats van te slapen, want ik werd gedrongen om onafgebroken Hem te bidden, de dag te verhaasten voor de bevrijding van de arme zielen, opdat dezen Hem tenminste mochten gaan liefhebben en Hem danken. En ik moest Hem smeken om de bekering van alle arme zondaars. Op een keer zei me de H. Maagd, dat het beste gebed tot de eeuwige Vader voor de zondaars was: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet, wat ze doen.” En op deze manier bad Zij voor ons. Als O.L. Heer me bijna ziet sterven van liefde en van verlangen om Hem diensten te bewijzen en om de zielen, voor wie Hij stierf en zoveel leed, te helpen, dan schijnt Hij medelijden met me te krijgen en staat me toe als werktuig te dienen, waardoor sommige arme zielen tot Hem terug worden gebracht. En dikwijls, wanneer ik Hem had gesmeekt om aan de prijs, die Hij voor de zielen van ketters en heidenen heeft betaald, te denken, liet Hij me een Engel zien, die hier en daar mooie bloemen strooide en Hij gaf me te verstaan, dat dit de bloemen waren van het geloof en het doopsel, die Hij op mijn arme gebeden uitdeelde. De laatste vijf of zes jaren heeft Hij me vele malen Zijn gruwelijk bitter Lijden laten zien op een wijze, die ik niet kan beschrijven (als ik probeer het uiteen te zetten, sta ik steeds voor het onmogelijke) en Hij liet me ook een beetje van die uiterst wrede martelingen, die Hij doorstond, meevoelen; dit gebeurde voornamelijk tegen het einde van de vasten.
Hierop volgt de passage over de stigmatisatie en het sluiten van de ‘mystieke verloving’, door ons reeds aangehaald. Het slot van de brief luidt dan als volgt:
Verleden jaar liet Hij toe, dat ik van diefstal werd beschuldigd en onderzocht werd; dit voelde ik diep. Met Zijn hulp echter heb ik Zijn Naam gezegend, omdat ik me onwaardig voelde, hierin op Hem te gelijken en met aandrang smeekte ik Hem, al degenen, die er bij betrokken waren, te zegenen en ik vraag ook u vurig voor hen te bidden. Op het ogenblik heb ik geen tijd om verder te schrijven. Nederig verzoek ik om uw gebed en uw zegen voor uw gehoorzaam en toegewijd kind, Teresa Higginson, Kind van Maria.
Altijd bleef er nog een kostbaar geheim bewaard, dat ze voor zich wilde houden als iets ongemeen dierbaars, nl. haar miraculeuse Communies. Eerst een tijd later schreef ze er over aan pastoor Powell op diens verlangen.
(60) Uit gehoorzaamheid - ik weet, dat Hij het voor me zal doen - zal ik u vertellen waarnaar u vraagt. Nog nooit ben ik bij machte geweest het onder woorden te brengen. Hetgeen u nu wenst te weten, is de enige gunst, waarvan ik altijd het gevoel had, dat Hij ze geheim wilde houden. Ik kon er in werkelijkheid haast niets over zeggen en wanneer ik me had voorgenomen om het u te vertellen, was het alsof ik het steeds weer totaal uit mijn geheugen kwijt was. Had u me nu niet zo uitdrukkelijk naar de H. Communie gevraagd, ik geloof niet, dat ik er ook nu over gesproken zou hebben. U weet, al dikwijls heb ik u gezegd, dat ik me niet herinner, wat ik u al heb meegedeeld en toen u me de verzekering gaf, dat u de voornaamste dingen, die u weten moest, al vernomen had, was ik volkomen gerust en liet alles over aan de hand van mijn Heer en Meester.
Op zondag 18 augustus maakte Kanunnik Daly bekend, dat er op dinsdag en donderdag geen H. Mis zou zijn. Maandagavond bedacht ik, dat ik de volgende ochtend niet te Communie zou kunnen gaan, of we zouden met de eerste trein naar Burnley moeten vertrekken. Toen kreeg ik zulk een schroeiend vuur van liefde en verlangen in me, dat ik niet wist wat ik deed of hoe ik Hem smeekte maar ik voelde dat geweldige verdriet, waarvan ik u naar ik meen al had gesproken; een pijn, die tot het binnenste van de ziel doordringt en die de ziel zo ze niet onsterfelijk was, zou doen sterven. Deze nacht leek me een eeuwigheid. Natuurlijk was ik niet bij machte van de grond op te staan; de krachten ontbraken er mij toe. Als Hij niet bij mij gekomen was, dan zou ik spoedig gestorven zijn. Ik wil zeggen; ik zou Hem snel voor eeuwig hebben bezeten. Vroeg in de morgen - hoe laat het was, weet ik niet; ik denk tussen twee en drie uur - verscheen mijn Heer en mijn God, Jezus Christus me, werkelijk en zichtbaar. Zijn heilige Persoon stond in een onbeschrijfelijke glans. Ik meen, dat Hij een stool om had (ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen). Hij zei: “Wat wil je, Mijn geliefde?” Ik zonk weg in de diepte van mijn uiterste ellendigheid en meende voor Zijn ogen in het niet te verdwijnen. O God, wie is in staat, deze geestelijke vernietiging te beschrijven? Hij hield een heilige Hostie in Zijn hand - ik zag, dat het een echte was - en Hij zei: ”Ecce Agnus Dei...” enz. en gaf mij het H. Sacrament van Zijn liefde. Met mijn lichamelijke ogen nam ik in de H. Hostie niets anders waar dan hetgeen ik bij de dagelijkse Communie zie; maar voor de ogen van mijn ziel vertoonde zich O.L. Heer in het H. Sacrament in Zijn verheerlijkt Lichaam, gelijk Hij na Zijn Verrijzenis was. Bij deze H. Communie voelde ik ook nog, dat de H. Maagd en de heilige vader Sint Jozef me ondersteunden en dat Sint Michaël vlak bij me was. Nadat ik Hem had ontvangen, trok Hij me zozeer naar zich toe en in zich, dat ik me verloor in Zijn onmetelijkheid en oneindige liefde. Toen men mij ‘s morgens om half acht kwam roepen, was ik uiterst verbaasd, mezelf zo  dagen lang geen controle over mezelf had gehad, of tenminste zolang als de duivel kwam proberen, om me te misleiden.
Hoe dikwijls O.L. Heer me te Sabden de H. Communie bracht, kan ik niet zeggen, maar Hij deed het dikwijls, soms drie of viermaal op dezelfde dag. Waarom ik er niet eerder over sprak? Ik vermoed, dat de oorzaak hierin is te zoeken, dat ik klaar voor mijn ogen zag, hoe onze lieve Moeder Maria zo zorgvuldig als Ze kon het geheim van de Menswording verborgen hield. Ik wens niet me te verontschuldigen, maar bid God, u te tonen, wat er heel diep in mijn arm hart en mijn ziel omging, juist zoals Hij me ziet en kent. En ik verzoek u om de tuchtiging, die ik verdien. Ik meen u gezegd te hebben, dat ik zelden de persoon van de priester bij de H. Mis zie (ik bedoel in dagen van vertroosting); wanneer Hij me de H. Communie geeft, verschijnt Hij me zoals Hij onder de H. Mis doet. Op een morgen in de tijd toen kanunnik Pemberton uit Neston vertrokken was en ik alleen overbleef met de zorg voor kerk en huis, was ik erg ziek en niet in staat naar de H. Mis te gaan. Toen stuurde Hij een priester om de H. Mis te doen en me de H. Communie te geven.
Ik had geen pitten meer voor de godslamp en was bang, dat het H. Sacrament zonder licht zou zijn. Ik stuurde een boodschap naar de kanunnik om er wat te vragen, maar die heilige priester gaf me er al enige, zonder dat ik er hem om gevraagd had. Als bewijs dat het waar is, wat ik zeg, heb ik een brief van kanunnik Daly hierbij ingesloten. Ze hebben een onderzoek ingesteld, maar konden niet uitmaken, wie het kan geweest zijn. Voor mij is het een ongelooflijke tegemoetkoming van de kant van O.L. Heer. Als ik ziek was en niet bij machte om de H. Mis op de gewone wijze bij te wonen, heb ik de H. Mis in werkelijkheid op mijn kamer zien opdragen. Ik bedoel hiermee niet te zeggen, dat er werkelijk een priester op mijn kamer de H. Mis las, maar ik had het op dezelfde manier voor ogen, zoals ik het ontzettend bittere Lijden zie en voel en daarbij bied ik mezelf met Hem als offer aan Zijn eeuwige Vader aan. De dag, waarop ik niet te Communie kon gaan, was toen ik te Burnley was en op die dag leed ik meer dan ik u kan zeggen, ofschoon ik het moeten missen van de H. Communie wel tot een blij offer trachtte te maken ten bate van een arme ziel - wie het was, weet ik niet precies. - Deze persoon zou zonder het Brood des Levens gestorven zijn. Alles wat ik in verband met dit offer nog te verduren kreeg, droeg ik op voor het belang van die ziel en door Gods genade zag ik ze gered.
Nu meen ik, met de hulp van God van alle Wijsheid, Kennis, Macht en Begrip u volledig te hebben ingelicht. In Zijn heilige Naam en tot glorie van Zijn Hoofd en heilig Hart, eindig ik, Uw gehoorzaam en toegewijd kind, Teresa Higginson, Kind van Maria.
In de brief van kanunnik Daly, waarvan boven sprake is, gedateerd november 1876, lezen we het volgende:
Ik vraag me af wie de oude priester kan geweest zijn, die donderdag de H. Mis las. Louise had een voorraad pitten moeten brengen, maar de oude priester is haar voor geweest.
De volledige geschiedenis van de oude priester heeft ze later aan juffrouw Ryland verteld en luidt aldus: Teresa moest, wanneer er geen priester aanwezig was voor de kerk zorgen. Haar voorraad pitten raakte op. Ze schreef om nieuwe, maar die waren nog niet aangekomen. Op een morgen werd er op de deur geklopt. Toen ze open deed, stond er een oude priester, die ze te voren nog nooit had gezien. Hij sprak geen woord, maar het viel haar op, dat hij in huis goed bekend scheen, want terwijl zij terug ging om de deur te sluiten, liep hij recht naar de kerk. Ze ging dus het altaar klaar maken. Toen ze terug kwam, had hij de paramenten al voor de dag gehaald en de kelk uit de brandkast genomen. Ze antwoordde hem bij de H. Mis en ging te Communie. Daarna vroeg ze hem, of hij koffie of thee beliefde; hij antwoordde echter niet. Toen liet ze hem alleen om zijn dankzegging te doen en zette een ontbijt klaar. Juist toen ze er mee gereed was, kwam de melkjongen en ze stuurde hem om de oude priester te halen. De jongen kwam terug met de boodschap dat er niemand was. Teresa vond het vreemd en ging naar de sacristie, maar deze was leeg. ‘s Avonds kwam er een jonge priester voor de zondagsdiensten en Teresa vertelde hem van de vreemde bezoeker. Deze veronderstelde, dat kanunnik Daly hem gestuurd had. Teresa schreef dan aan de kanunnik, maar hij antwoordde, dat hij niets van de geschiedenis af wist; de bisschop moest hem gestuurd hebben. De bisschop echter verklaarde eveneens van niets te weten en verzocht om meer bijzonderheden aangaande het uiterlijk van de vreemdeling. Toen hij de beschrijving van Teresa hoorde, zei hij, dat de gegevens volmaakt klopten op een der vroegere priesters van de post, maar die was al dood.
Aanvankelijk stond pastoor Powell tegenover de geheimzinnige Communies, waar Teresa over sprak, erg gereserveerd. Hij legde haar op, O.L. Heer er over te vragen. Enkele dagen later schreef ze:
(68) Zoals u me had opgelegd, heb ik O.L. Heer gevraagd of ik de H. Communie opnieuw mocht ontvangen, nadat Hij ze mij gegeven had. Ik bedoel of ik ze opnieuw mocht aannemen uit de hand van een priester, nadat Hij ze mij zelf had uitgereikt. Of deed ik er kwaad mee? Hij gaf me het volgende te verstaan. Met volle bewustzijn mocht zo iets niet gebeuren; zonder bijzondere volmacht of toestemming mocht zelfs een priester iets dergelijks niet doen - dat wil zeggen, Hij heeft om tweemaal de H. Mis te lezen toestemming van de bisschop nodig. - Wanneer het echter voorkomt, gelijk gisteren het geval was, dat onze goddelijke Heer en Meester ons hart en onze ziel geheel vult van verlangen en van liefde voor Hem, en wij als het ware buiten ons zelf zijn van begeerte om Hem te bezitten en voor alles buiten Hem het bewustzijn verliezen, dan steekt er niets kwaads in. Het is Zijn werk en we moeten er ons niet ongerust over maken. Zijn verlangen is één met het onze en we hebben ons eenvoudig nederig voor Hem neer te werpen, onze onwaardigheid bekennend, Hem dankend en prijzend en al meer en meer lief hebbend. O mijn God, wat zijt Gij wonderbaar!
 
Voetnoot
(1) Dit meisje was een leerling - onderwijzeres. Enige tijd bewoonde ze met Teresa dezelfde kamer. Dat de laatste er in slaagde, geen aandacht te trekken, is wel voor een groot deel hieraan te danken, dat het kind geen vermoedens kreeg. Ze meende gewoon, dat Teresa nu en dan last had van een of andere vreemdsoortige ziekte.
 

Biografie T. Higginson Hoofdstuk 5. De bruid van de Gekruisigde

Hoofdstuk 5. De bruid van de Gekruisigde

Kanunnik Snow spreekt van Teresa’s veelvuldig meeleven met het lijden van Christus. Gedurende de tijd van haar verblijf in Wigan scheen ze bij haar extases geregeld de Heer te volgen op Zijn weg naar Calvarië. Deze lijdensextases zijn de bekende onderscheidingstekenen van alle gestigmatiseerden. De H. Catharina van Ricci had ze jaren lang achtereen. Wat Teresa betreft, geeft juffrouw Ryland de meest nauwkeurige beschrijving van hetgeen in de Goede Week van 1874 plaats greep en ze zegt er bij, dat hetzelfde bij andere gelegenheden ook voorviel. Teresa was volkomen buiten bewustzijn, maar klaarblijkelijk volgde ze stap voor stap de Heer bij heel Zijn lijden. Dit was voor een ieder, die op haar doen, op haar woorden en vooral op de uitroepen, die haar ontvielen, lette, duidelijk.

Eens stuurde juffrouw Ryland een boodschap naar pastoor Wells. Teresa was blijkbaar met de Heer op de weg naar Calvarië aan de derde val gekomen; ze bukte zich als om de Heer te helpen opstaan. Juffrouw Ryland meende, dat ze op het punt stond te vallen en strekte een hand uit om haar te steunen. Maar pastoor Wells verzocht haar stil te blijven zitten.

Juffrouw Woodward, een der andere onderwijzeressen, sprak met haar biechtvader, pater Gradwell SJ, over de zaak en deze raadde haar aan om aantekeningen bij te houden van hetgeen voorviel. Naar aanleiding hiervan hebben zij en juffrouw Ryland om beurten de wacht gehouden en nauwkeurig opgeschreven wat ze waarnamen. De aantekeningen van dinsdag en woensdag in de Goede Week zijn van juffrouw Woodward, die van Witte Donderdag van juffrouw Ryland. Deze verklaart:

Ik lette op hetgeen ze deed en schreef alles op. Wat ik haar hoorde zeggen, zette ik tussen aanhalingstekens. Wat volgt is aan deze aantekeningen ontleend. Witte Donderdag. ’t Begon om half vijf. Ze vroeg de Heer bij haar te komen. “Wanneer gaat Gij toch komen, Heer? Ik ben een zondig schepsel. Was me in Uw kostbaar Bloed, o Jezus. O Heer, laat toch niet toe, dat ik ooit verraad tegen U pleeg. Nooit zal ik U verlaten.” Ze leunt haar hoofd als St. Jan. “Laat me hier rusten, o Heer!” Ze heft haar hoofd wat op. “O God, laat mij U nooit verraden. Laat me met U meegaan! O Jezus, ik wil niet van U scheiden. Laat me… O Heer, ik kan niet hier blijven; laat me gaan.” Haar hoofd zakt, licht schuddend, op de borst. Sluit krampachtig de ogen, als om iets niet te zien. “O eeuwige Vader, als het mogelijk is, laat die bittere kelk dan… O mijn God, verlaat Hem niet. O, heb medelijden met Hem. Uw wil geschiede, o eeuwige Vader. O Engelen, komt ter hulp! Och, kon ik Hem helpen!” …

In haar brieven heeft Teresa zelf het er dikwijls over, dat ze O.L. Heer bij alle fasen van Zijn Lijden volgde en beschrijft ook de angsten, die ze daarbij leed.

(26) Mijn ziel schijnt te vergeten, dat zij de zondares is, voor wie Hij lijdt en vol medelijdende liefde verlangt ze bij Hem te zijn. O kon ík U helpen, Liefste, bij Uw lijden. Ik bedoel niet, dat we zo iets werkelijk zeggen; dit lijkt me onmogelijk, maar zo voelt men het… Als we over dit soort van lijdensopenbaringen van O.L. Heer spreken, veroorzaakt dit altijd in ons een nieuwe en diepere afschuw voor de zonden, die ik als de bewerkers van alles zie; een grote vrees om tegen de oneindige rechtvaardigheid van God te misdoen en een diepe eerbied voor de ontzagwekkende reinheid van God. Daarbij krijg ik dan zulk een dorst naar lijden, dat niets dan de werkelijke pijn, die mijn gekruisigde Zaligmaker me toestaat te verduren, dit kan verzadigen; dan komt er een brandend verlangen en de vaste wil in mij om mezelf met Hem voor de zielen van alle mensen op te offeren.

In de Goede Week van 1874 verheerlijkte O.L. Heer Zijn uitverkoren dienares met de tekenen van Zijn heilige Wonden. In een brief, enkele jaren later uit gehoorzaamheid aan pastoor Powell geschreven, doet ze hem aldus in eenvoud haar verhaal van het gebeurde.

(11) En terwijl ik in Wigan was, in het jaar 1874, heeft mijn Heer en mijn God op vrijdagmorgen in de Passieweek mij de tekenen van Zijn heilige vijf Wonden gegeven. Met alle aandrang heb ik Hem gevraagd, ze van me weg te nemen en me zo mogelijk er nog groter pijn voor in de plaats te geven. Gedurende de volgende week hebben ze aanhoudend gebloed. Pastoor Wells heeft er op Goede Vrijdag een van gezien; daarna verdween deze; de andere waren al vroeger in de morgen weg gegaan; bij onderscheiden gelegenheden gingen ze weer open. Ik meen, dat ik u dit al eerder verteld heb. Omdat ik er echter niet zeker van ben, acht ik het beter, het nu te doen.

(61) Veel heb ik sinds 1860 in mijn hoofd, mijn borst en mijn zijde geleden; het lijden is echter veel erger geworden na 1874, toen O.L. Heer mij het voorrecht gaf, waarvan ik u sprak. In het midden van mijn handen, voeten, in mijn hoofd en mijn hart zijn de pijnen soms onduldbaar; maar telkens als ze bloeden vind ik verlichting; dit komt echter niet zo heel dikwijls voor. Ook in mijn schouders heb ik veel pijn. Ik schaam me bijna dit pijn te noemen, want ik weet, dat het buitengewone weldaden zijn, die ik niet kan verdienen en op geen enkele manier aan mezelf te danken heb. Alles komt van U, o God, gelijk alle voorrechten, waarmee Ge mij hebt overladen. Aanvankelijk begreep ik de aard van deze gunsten niet; maar een jaar of tien, twaalf terug merkte ik, dat de pijn op vrijdag, op feesten van O.L. Heer en gedurende de vasten altijd groter was. Ze zijn voor mij steeds een oorzaak geweest van geestelijke kracht en welzijn. Dikwijls als ik bang was, dat ik op een of ander gebied mijn menselijke natuur niet meester kon, heb ik op die delen gedrukt; ze waren dan altijd een bron van leven voor me en ik was bij machte te overwinnen. Ik wil zeggen; de Heer gaf me, als ik dit deed, grote hulp. Bij de laatste duisternis echter, die ik in mijn ziel ondervond, heeft het de Heer behaagd, me die hulp niet te geven en toen waren ze voor mij, min, laf schepsel, oorzaken van onnoemelijk en bijna ondragelijk leed en marteling. Toch weet ik, o Heer, dat ze het onderpand van Uw liefde voor mij zijn en ik stel ze misschien ook hoger dan enige andere gave, door U me geschonken. Moge Uw heilige Naam eeuwig gezegend zijn.

Juffrouw Ryland geeft een zeer interessant verslag van hetgeen ze in deze tijd te zien kreeg.

Ik zal beginnen met het verhaal, hoe ze de doornenkroning kreeg. Het gebeurde op passiezondag in 1874. Ik was de enige getuige. In de namiddag vroeg ze me boven te komen. Blijkbaar leed ze erg veel en ging naar bed. Ze verzocht me te bidden, dat ze in staat mocht zijn, naar de zondagsschool te gaan; ’s avonds zou ze alles verduren, wat de Heer haar te dragen mocht geven. Ze zei er bij: “Dit lijden gaf Hij me zelf.” Ze was bij machte op te staan en ging naar de zondagsschool en naar het Lof. Tegen de avond werd ze erg zwak en nadat we naar bed waren gegaan, zelfs erg ziek. Ik achtte het nodig, juffrouw Woodward, die in de kamer er naast sliep, te roepen. Ze wilde het echter niet hebben en ik ging dus weer te bed. Eensklaps echter sprong ze op. Ik dacht; ze valt buiten het bed en ik sprong toe om haar neer te duwen. Enige tijd was ze met haar hemelse Bezoeker in gesprek. Toen stak ze haar rechterhand uit naar O.L. Heer, want Hij was het en zei hardop: “Neen, dat niet; geef mij de doornenkroon; geef mij de doornenkroon.” Enkele ogenblikken later viel ze achterover, juist zoals ze was opgesprongen. Ik zei tegen haar: “Teresa, ga je sterven? Als dit zo is, dan moet ik pastoor Wells gaan halen.” Ze scheen niet te verlangen, dat hij gewekt zou worden en ik liet het er bij. Toen zei ze: “O.L. Heer heeft me Zijn doornenkroon en de schouderwonde gegeven.” De volgende dag zag ik er geen tekenen van. Alleen meende ik, dat er puistjes op haar voorhoofd stonden. Ik kan echter niet zeggen of deze al dan niet iets met de zaak te maken hadden.

De avond voor Palmzondag was ze naar bed gegaan; ik meen, dat ik zelf haar (omdat ze zo zwak was) er in had gelegd. Ik knielde naast haar neer; ze was zonder bewustzijn, tenminste zover ik in staat was het uit te maken. Ze was met iemand, die bij haar aanwezig was in gesprek. Ze tilde haar rechter arm omhoog en hield hem een of twee minuten flink omhoog (*).

(*) Juffrouw Ryland was aanvankelijk van gedachte, dat Teresa op dat ogenblik de stigmatisatie ontving. Teresa zelf echter vertelde haar, dat dit vrijdags ’s morgens plaats had. Juffrouw Ryland voegt er echter bij: “Toen ik haar ‘s avonds vóór Palmzondag haar rechterhand zag opheffen en zo krachtig ophouden, zal ze niet de wond hebben gekregen, maar deze hebben aangeboden als offer bij een of ander gebed voor de zondaars.

Toen liet ze hem zakken. Ik keek er niet naar. Nu bevreemdt het me, dat ik zo weinig nieuwsgierig was naar deze dingen. De volgende dag hield ze haar hand gesloten en de duim van de andere hand er midden boven op. Ik denk, dat ze zich die ochtend zelf waste met haar linkerhand, maar dit weet ik niet meer. In elk geval, toen ze me de handdoek teruggaf, zaten er bloedvlekken in. De volgende morgen had ze haar beide handen dicht. Ik waste haar en ze zei me: “Mijn handen kan ik zelf wel wassen, lieve.” Ik gaf haar dus dezelfde handdoek en ze gaf hem weer met bloedvlekken er in terug. Elke dag herhaalde zich dit.

Op Goede Vrijdag gingen we naar de ochtendplechtigheden; we lieten Teresa in bed achter en draaiden de huisdeur op slot. Toen we terug kwamen, holden we beiden direct naar haar toe en vonden haar op bed uitgestrekt, de armen open gespreid in de vorm van een kruis, met wonden in haar handen. Zoals gewoonlijk kwam ik niet erg dicht bij haar. Ik zag juist nog, dat juffrouw Woodward aan het voeteneind van het bed de lakens oplichtte om te zien of het met haar voeten ook zo het geval was. Ik liep weg, om pastoor Wells te halen. Hij kwam. Ze was nog in dezelfde toestand. Hij zei tegen mij: “Ga snel naar de dokter.” Ik ging en toen ik met Dr. Hart terugkwam, was ze weer heel gewoon en in gesprek met pastoor Wells. Dr. Hart bevond haar uiterst zwak; maar – zoals pastoor Wells zei – verklaarde hij, niet te weten, wat er met haar aan de hand was.

Wanneer Teresa de deur niet uit kon, had ze een hevig verlangen naar de H. Communie. Wat ze in dit opzicht te lijden had, kan ik het best vergelijken met de toestand van iemand, die sterft van honger, terwijl er eten voor hem staat, waar hij niet bij kan. Was ik te communie geweest, dan was het, of ze me verslinden wou; het ging me erg aan mijn hart haar smachtend klagen te horen. Ik ging er over spreken met pastoor Wells. Het enige, dat hij er op zei, was: “Zij hoeft die weg niet te gaan. Zeg haar namens mij, dat zij het niet moet doen.” Ik moest haar natuurlijk deze boodschap overbrengen, en daarna sprak ze er niet meer over.

Nu en dan probeerde juffrouw Ryland pastoor Wells te bewegen om haar de H. Communie te brengen; hij wilde er echter niet altijd op ingaan – ongetwijfeld om haar te beproeven. Op Witte Donderdag 1875 wachtte ze de hele dag op hem. Ze lag te bed en als juffrouw Ryland haar zei iets te gebruiken, was haar enige antwoord: “Hij zal wel komen.” Ten slotte kwam ’s avond om negen uur de kapelaan, die de hele dag in Liverpool was geweest, met het H. Sacrament. Daarna stond ze op; maar al snel werd ze weer door zwakte bevangen en moest terug naar bed. Heel de volgende dag bleef ze er in en juffrouw Ryland verliet haar geen ogenblik. Deze vertelt, dat er die dag heel wat bloed uit haar mond kwam, dat ze in een handdoek opnam. Naar haar handen en voeten keek ze niet; later echter bleek daar niets uit gekomen te zijn.

Gelijk het meestal het geval is met de gestigmatiseerden, veroorzaakten de heilige wondetekenen Teresa, wier nederigheid voor alle uitwendige verschijnselen bang was, veel onrust. Maar hoezeer ze het ook probeerde, het was niet altijd mogelijk het feit te ontkennen en meerdere van hare vriendinnen getuigen dan ook, de wonden in haar handen en voeten en de littekens van de doornen op haar voorhoofd te hebben gezien. Telkens en telkens weer smeekte ze O.L. Heer, de uitwendige tekenen weg te nemen, maar zo mogelijk de pijn te vergroten. Hierin geleek ze op de H. Catharina van Siëna. Toen deze hierin verhoord was geworden, verklaarde ze, dat de pijn van de onzichtbare wonden zo hevig was, dat alleen een wonder haar in het leven hield. Ook Teresa’s gebed werd verhoord, want op het eind van haar leven waren de uitwendige tekenen geheel verdwenen en de verpleegster, die haar bij haar laatste ziekte oppaste, zag noch vóór, noch ná, de dood er enig teken van.

Nu was Teresa ten volle pasklaar gemaakt voor de grote gebeurtenis, waarop de Heer haar zo lang had voorbereid. Ik bedoel de wonderbare plechtigheid van haar Mystieke Bruiloft. De H. Theresia noemt dit de ‘geestelijke verloving’ en zegt er van, dat het in werkelijkheid niets anders is dan een belofte van hetgeen volgen gaat; het is immers de inleiding tot het Mystieke Huwelijk, waarin de volkomen vereniging van de ziel met haar goddelijke Heer bereikt wordt. Toentertijd wist niemand iets van dit verheven voorval af. Teresa sprak er nooit over, zelfs niet met juffrouw Ryland. Eerst vele jaren later heeft ze uit gehoorzaamheid in twee afzonderlijke brieven er pastoor Powell een beschrijving van gegeven.

(77) Toen ik op het feest van het H. Hart datzelfde jaar, bij u een bezoek bracht aan het H. Sacrament, stak O.L. Heer een doornenkroontje, met een kruisje van onzegbare schoonheid er aan, bij wijze van ring aan de vinger naast de pink van mijn linkerhand en gaf me te verstaan, dat doornen en kruisen het deel zijn van degenen, die Hij tot de Zijnen verkiest. Hij had het offer, dat ik zo dikwijls van mezelf gedaan had, aangenomen; in het vervolg had ik mezelf te beschouwen als geheel de Zijne, gelijk Hij zich geheel aan mij had gegeven en als bewijs, dat er geen illusie in het spel was, verklaarde Hij me dat ik de doornen en de kruisen, waarvan deze ring een voorstelling gaf, zou voelen. Zo is het gebeurd, want van dit ogenblik af heeft Hij me verlatenheid, dorheid en kruisen van allerlei aard doen toekomen en wel zodanige als ik te voren nog niet kende. Maar Hij heeft me er buitengemene genaden bij gegeven om ze geduldig te dragen en ze, evenals Hemzelf lief te hebben en te koesteren.

(39) In de Naam van Jezus, onze goddelijke Bruidegom, uit gehoorzaamheid aan uw wens en tot eer en glorie van de boven alles gezegende Drieëenheid wil ik trachten een verhaal te doen van hetgeen Jezus, mijn enige Beminde, voor mij heeft gedaan, iets waarin ik part noch deel heb, noch enige verdienste en dat me als iets ongehoords voorkomt. Het gebeurde in het jaar 1874, ik meen op het feest van het H. Hart, nadat Hij me zeer grote weldaden had bewezen, die ik niet in staat ben te beschrijven – ik bedoel; wat ik er bij zag en hoorde – O.L. Heer stak aan de vinger naast de pink van mijn linkerhand een klein doornenkransje, waaraan in het midden een kruisje zat met prachtige stenen en Hij gaf me te verstaan, dat ik van dan af veel voor Hem zou moeten lijden tot het einde toe en dat ik nu mezelf als de “bruid van de Gekruisigde” had te beschouwen. O God, wat zijt Gij wonderbaar en wat wist Gij mij duidelijk te maken, dat Gij de Alwijze en Almachtige God zijt. Want ik stond verbaasd over de grote dingen, die Gij aan mij deed en ik was niet bij machte aan iemand enige verklaring er van te geven of ook maar er over te praten. En al kon ik niet twijfelen of het wel van U kwam, ik meende, dat de kruisweg een goed begaanbaar pad was en in tijden van dorheid maakte ik me angstig over de ongemene gunsten, die U mij hebt bewezen. En sinds U mij van de bittere kelk uit de Hof hebt laten proeven, is mijn arme ziel gaan dorsten en mijn hart gaan branden van verlangen naar meer en meer lijden. Dat doornenringetje stelde me dan gerust en het verbond me nauwer en nauwer met U, de God van mijn hart. En van die tijd af zag ik die woorden bewaarheid (ik zeg ‘woorden’, ik wil er echter niet mee zeggen, dat Hij sprak: Hij gaf me alleen maar zo duidelijk mogelijk te verstaan, wat ik heb gezegd). Ik zei straks: “nadat Hij me zeer grote weldaden had bewezen.” Ik geloof niet, dat we, terwijl onze ziel in God verloren is, in staat zouden zijn, om iets te horen, te zien of te onderscheiden, noch met de ogen van de ziel, noch met die van het lichaam.