God heeft aan Jezus het laatste oordeel overgelaten

In het evangelie van Johannes lezen we, dat “het oordeel geheel aan de Zoon gegeven is” (Joh.5,22). Zo is de wil van de Vader: “Hij gaf Hem de macht om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is”. Johannes zegt: “Verwondert u daarover niet” (Joh.5,27).

Wij zullen dus door een Mens, die God is, geoordeeld worden. Leggen wij hier de nadruk op “Mensenzoon” en op de woorden “omdat Hij de Mensenzoon is”. De Vader wil dat het oordeel, dat goddelijk is, ook menselijk zou zijn. In dezelfde tekst zegt Johannes dan weer, dat dit echt menselijk oordeel nochtans goddelijk zal doorstraald zijn: “Ik kan niets uit Mijzelf doen; maar Ik oordeel naar wat Ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn wil zoek maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden” (Joh.5,30). Dat het menselijk zal zijn staat ook in de tekst: “Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen, uw aanklager is Mozes op wie gij hoopt” (Joh.5,45). Mozes nu was een wetgever. In dit grote Gericht zullen overigens nog andere mensen Jezus gelijk geven, volgens dit ander woord: “Voorwaar, ik ze u, Gij die mij gevolgd zijt zult bij de wedergeboorte… op twaalf tronen gezeten zijn en de twaalf stammen van Israël oordelen” (Matt.19,27).

Er zijn immers daden, die door alle oprecht menselijk gemoed veroordeeld worden, zoals folteringen, verdrukking, hoogmoed, haat, enz.; verder is er de wandaad van het verwerpen van een geloofwaardige getuige, die Jezus was. Op alle manieren bewees Hij Zijn zending en toch verwierp men Hem. Het is dus billijk dat zij die Hem op rechtschapen wijze aanvaard hebben, met Hem ook samen oordelen. Het oordeel wordt dan een oordeel van heel het Mystieke Lichaam tegen hen, die er geen deel van wilden maken, zo zal dan de Gemeenschap medevonnissen en mede-vrijspreken.

Uit het feit dat aan Jezus en zijn Gemeenschap dit oordeel overgelaten is, volgt dat, wil het menselijk zijn, alle omstandigheden in acht zullen genomen worden van tijd en plaats, voorbedachtheid of onbewustheid, kennis en onwetendheid, die verzachting of verzwaring van de schuld pleiten; ook erfelijkheid, gewoonte, mentaliteit, opvoeding, middel, gelegenheid, kortom alles wat tot een rechtvaardig oordeel – onverbiddelijk kan wel eens verkeerd begrepen worden – nodig en nuttig is.

Om dit te kunnen zal het ook goddelijk zijn. De Mens Jezus moet ingelicht zijn over het verleden van ieders leven; Hij moet alle tijden kunnen doorschouwen, alle harten kunnen inzien en alle mensenlevens voor zich zien. Inderdaad, Hij die weet hoe groot de straf is, zal al het mogelijke doen, om er de zielen aan te onttrekken en zo vermoeden we, dat Hij het bestuur over mensen en wereld heeft gekregen om hen naar hun zaligheid te leiden.

Het Boek met de zeven Zegels: De H. Johannes beschrijft, hoe aan Jezus het wereldbestier werd gegeven (1). Hij spreekt van een boek dat geopend wordt door het Lam en hoe volgens die opening de wereldgebeurtenissen hun gang gaan. Ieder zegel wordt verbroken en aldus krijgen wij een inzicht in de raadsbesluiten van God over Jezus’ bestuur der zielen en de inrichting van de wereldgebeurtenissen om dit zielebestuur mogelijk te maken (2).

“Toen zag ik in de rechterhand van Die op de troon is gezeten, een boek van binnen en buiten beschreven, met zeven zegels verzegeld”. De Vader houdt dus in zijn hand een papyrusrol, als iemand die een geschenk aanbiedt. Al de geheimen van het goddelijk plan om onze zaligheid te verzekeren, staan er in overvloed op, “van binnen en van buiten” en het boek is verzegeld, omdat de inhoud nog zijn verwezenlijking afwacht. Het tijdsverloop der wereldgeschiedenis wordt in zeven ingedeeld daar dit getal als een volmaakt geheel wordt aangezien.

“En ik zag een machtige engel, die met een geweldige stem uitriep: Wie is er waardig het boek te openen en zijn zegels te breken? Maar niemand in de hemel, op de aarde, of onder de aarde kon het boek openen of er een blik in slaan.” De engel nodigt vervolgens heel de schepping uit om de raadsbesluiten van God te doorgronden, maar niemand is daarvoor in staat.

“En ik weende bitter,” zegt Johannes (3), “omdat niemand waardig bevonden werd (uit de stam der mensen) om het boek te openen of er een blik in te slaan”. De heerlijkheid Gods is zo groot, Zijn Wijsheid is zo verblindend en de onwetendheid van de mens zo laag, dat hij niet in staat is ze te aanschouwen. Maar ween niet: “Zie de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David heeft overwonnen, om het boek te openen en zijn “zeven zegels”. Een van uw stam, de Mensenzoon zal het gegeven worden, in te dringen in de raadsbesluiten van de Vader en wat meer is, Hij zal de toelating krijgen de wereld te besturen tot voordeel van de uitverkorenen. “En ik zag een Lam staan alsof het geslacht geweest was, dat zeven horens had en zeven ogen, welke de zeven geesten van God zijn, die over de aarde worden gevonden”.

Dat het ‘als geslacht staat’ betekent: dat het, gezien zijn overwinning, recht heeft op datgene wat de Vader Hem zal toevertrouwen. De zeven horens zijn de volheid van zijn Macht, de zeven ogen de volheid van zijn Wijsheid.

“Het Lam kwam naderbij en ontving het boek uit de rechterhand van Hem die op de troon was gezeten,” en toen zong de Hemel het lied: “Waardig zijt Gij het boek te ontvangen en zijn zegels te breken, omdat Gij zijt geslacht geworden, hebt met uw bloed voor God gekocht: alle stammen en talen uit alle volken en naties. Gij hebt ze gemaakt voor onze God tot een koningschap en priesters, en heersen zullen ze over de aarde”.

Jezus’ mensheid krijgt dus hier het recht van de Vader om te beschikken over de raadsbesluiten en ze uit te voeren. Hij krijgt het alleenbeschikkingsrecht over het boek en zijn inhoud, d.w.z. het bestuur der komende gebeurtenissen; daar Hij de mensen verlost heeft behoren ze Hem toe als een verovering. Maar de vrijgekochten gelijken op Hem; zij delen in zijn regeringsmacht door de wijsheid, die ze door navolging beoefenden, en zij delen in zijn priestermacht door de bemiddelende offers en gebeden, die zij als Hij deden.

“En terwijl ik toezag, hoorde ik de stem van vele engelen rondom de troon en de dieren en de ouderlingen; en hun getal was tienduizend maal tienduizend en duizend maal duizenden. En ze riepen met machtige stem: Waardig is het Lam dat geslacht is, macht te ontvangen en wijsheid, kracht, ere, glorie en lof.”

De gehele hemel antwoordt nu op de eerste zang en herhaalt, dat deze waardigheid de Mensenzoon toebehoort, waarbij zich ook de hele aarde aansluit en in een derde en laatste zang zich met de hemel verenigt: “En ieder schepsel in de hemel, op de aarde en onder de aarde, op zee en al wat daarin is, hoorde ik roepen: Hem die op de troon zetelt en aan het Lam zij lof en eer en glorie en kracht in de eeuwen der eeuwen”. Zo zijn hemel en aarde gelukkig om de grote macht en wijsheid die de Mensenzoon ten deel valt, gezien zijn overwinningsrecht.

Het werd dan ook aan Johannes gegeven de sluier opgeheven te zien over de toekomstige gebeurtenissen; hij ziet hoe de Mensenzoon van zijn recht gebruik maakt om één voor één de zegels te openen en de gehele toekomst te schikken tot groter geluk der uitverkorenen. Steeds spreekt Hij moed in aan al zijn christenen, want het Lam leidt hen naar het hemelse Jeruzalem, waar zij “geen honger meer zullen hebben en geen dorst, waar de zon niet meer op hen zal vallen, noch de hitte, want het Lam zal hen weiden en voeren naar de “waterbronnen des levens en God zal alle tranen uit hun ogen wegwissen” (Openb.7,16).

Fel opbeurend zijn verder, niettegenstaande hun vreselijke voorspellingen, de woorden van Johannes. Steeds opnieuw toont hij het vergezicht van de eeuwige blijdschap, waar naartoe alle levenslopen heenslingeren, zo men ze maar wil laten leiden door het Lam. Het hele boek van de Openbaring is aldus een hymne aan de menselijke en goddelijke wijsheid van Jezus.

Nogmaals, aan Jezus is het oordeel overgelaten en daartoe is Hij uitgerust met alle kennis, nodig om dit oordeel in alle rechtvaardigheid uit te spreken; daar Hij zelf ons leven geschikt heeft naar ons eeuwig geluk en met zorg en waakzaamheid onze wegen heeft nagespeurd, kent Hij best onze schuld; daar Hij alle mensen kent, weet Hij best wat verleiding is, boosheid en trouw. Hij kent de geheime drijfveren die ons ontsnappen, de laatste oorzaken die ons verborgen zijn en daarom zal Hij ieder “zijn eigen last laten dragen” (Gal.6,5) en “vervolgens zijn werk vergelden” (Matt.16,17).

Het is dus van kapitaal belang Hem als leider ten aanzien van ons zieleleven en van de gebeurtenissen die zich in onze dagen afspelen, en te leven in het geloof dat Hij alles schikt tot zaligheid van zijn uitverkorenen, vermits Hem de Vader die macht gegeven heeft (4).

Voetnoten:

(1)  Openbaring,5. Dat Jezus het wereld- en zielebestuur bezit, moet niet bewezen worden uit deze Schriftuurplaats; dit is onze bedoeling niet, dit heeft Hij immers uit kracht van zijn Godheid, die met de Mensheid verenigd is. Wij gebruiken echter deze tekst als een beschrijvend tafereel.

(2)  Mgr. Cerfaux ziet in het openen van dit boek “een beter begrip van de Schrift”. Tot aan Christus’ tijd was de Schrift duister en onbegrijpelijk voor de joden, maar na zijn dood wordt ze duidelijk. De voorzegde feiten en leer van Jezus maken de profetieën en voorafbeeldingen duidelijk en zo is de opgerolde en onbegrijpelijke taal van de Schrift nu door het Lam geopend en verstaanbaar geworden. Wij volgen echter een andere sententie (cfr. Allo).

(3)  Deze tranen van de Apostel zijn vol betekenis. Hij immers was door de Meester uitgezonden om de wereld te bekeren; van hem hing de uitbreiding van het geloof af en zie, nu is hij tot werkloosheid gedoemd in zijn ballingschap op het eiland Patmos. Wat zal er van de Christengemeente nu geworden? Zal zij te niet gaan? Wie zal dan het evangelie verkondigen? In deze benarde toestand verlaat de Hemel hem niet, maar leert hem een der schoonste waarheden van Jezus’ verlossingswil namelijk dat de Vader aan Jezus het wereldbestuur heeft overgelaten. Jezus kent de toekomst (‘Hij ziet het boek in’) en Hij laat ze ontwikkelen volgens zijn goeddunken (‘Hij opent de zegels’). Waarom zou men dan geen vertrouwen hebben?

(4) ‘Hoofdzakelijk’ kunnen we de godsvrucht heten, die het dichtst de persoon van Jezus nadert. Welnu we mogen zeggen dat een persoon zich het meest uitdrukt door zijn wijsheid ten toon te spreiden, t.t.z. het gebruik van zijn verstand en de regeling van zijn daden. Gezien we nu juist die wijsheid in Jezus vereren, blijkt het dat deze godsvrucht het dichtst bij de persoon van Jezus staat, en dus hoofdzakelijk is. Wij voegen er nochtans bij dat, in een ander opzicht deze godsvrucht minder hoofdzakelijk kan geheten worden; dat hangt af van het oogpunt dat men inneemt. Wij kunnen ze verder ook ‘kapitaal’ heten, gezien de tijdsomstandigheden en dan begrijpen we het woord als meest nodig, als meest doelmatig om van de kwalen van deze tijd te genezen.

 

(wordt vervolgd)

Info: https://teresahigginson.org/artikelen-van-het-handboek/

Hoofdstuk I: Noodzakelijkheid van Jezus’ Wijsheid voor ons christelijk leven

  1. God heeft zich van Jezus bediend om de mens de waarheid te leren
  2. God bedient zich van Jezus’ leer om ons te verlichten
  3. God heeft aan Jezus het laatste oordeel overgelaten

Door Pastoor Geudens